Er
was eens een land waar men vredig en tevreden met elkaar leefde. Tot de Koning
een nachtmerrie kreeg. Hij droomde dat hij een Koning van niks was. Het hele land
ging gebukt onder zijn waardeloze beslissingen en er werd achter zijn rug over
hem gefluisterd. Hij droomde een broeierige sfeer van samenzwering, giechelende
meisjes die snel hun gezicht in de plooi trokken als hij langs kwam, gesprekken
die verstomden. Hij spande zich tot het uiterste in om het allemaal weer in orde
te maken, maar niks lukte. Hij droomde dat hij plotseling vanachter een deur werd
aangevallen. Op de achtergrond klonk gejuich ‘Hoera! Weg met de Koning!’ Vechtend
voor zijn leven probeerde hij te schreeuwen: ‘Ik bedoel het goed!’ Maar er kwam
geen geluid over zijn lippen. De
Koning werd gekweld door de vraag wat deze droom te betekenen had. Zat er misschien
een kern van waarheid in? Binnen een week was hij er beroerd aan toe. Hij had
geen energie meer, twijfelde aan zijn eigen vermogens en bezag de mensen om hem
heen met wantrouwen. Hij begon overal tekenen te zien dat droom en werkelijkheid
niet veel van elkaar verschilden. Iedere deur verborg een mogelijke aanvaller.
En ondanks dat hij zijn uiterste best deed en zich vol overgave aan zijn taak
wijdde, twijfelde hij meer en meer aan zijn geschiktheid als Koning. Het
begon de mensen op te vallen dat de Koning zich vreemd gedroeg. Hij zag er moe
uit en leek zich in zijn eigen wereld op te sluiten. Hij overlegde meer dan anders,
maar nam zijn beslissingen toch abrupt en alleen. Daarna veranderde hij ze weer.
Als je hem met raad probeerde bij te staan, leek het of er een schaduw over hem
heen vloog en het kon gebeuren dat je zonder enige aanleiding allerlei onheuse
aantijgingen over je heen kreeg. De mensen begonnen over hem te fluisteren. Al
gauw gingen er stemmen op om hem af te zetten. Zo kon het niet langer. >Nu
wilde het toeval dat er in die tijd een vreemdeling het land bezocht. De mensen
vertelden hem hun problemen en vroegen om raad. Hij luisterde aandachtig en zei
dat het eenvoudig was. Hij zei dat al deze problemen door een droom werden veroorzaakt
en dat de weg daaruit was om uit deze droom te ontwaken. Dat was een merkwaardig
antwoord. Was het maar waar dat hun problemen zich alleen maar in hun slaap afspeelden!
Ze versleten de man voor gek en besteedden verder geen aandacht aan zijn woorden.
Ze hadden belangrijker zaken aan hun hoofd. Het land dreigde onbestuurbaar te
worden. Het scheen
de vreemdeling niet te deren dat de mensen hem voor gek verklaarden. Hij had iets
sympatieks en rustigs over zich dat op de een of andere manier onverstoorbaar
leek. De mensen vroegen hem waarom hij zo rustig bleef, zelfs nu het land toch
duidelijk op een crisis afstevende. Kon het hem dan allemaal niets schelen? Was
hij niet bereid de realiteit te zien? Er gingen stemmen op om de Koning met geweld
te verwijderen! Er waren relletjes uitgebroken waarbij gewonden waren gevallen!
De situatie werd met de dag ernstiger. Maar
de man bleef zeggen dat hun problemen door een droom werden veroorzaakt. En niet
alleen de problemen van het land. Ook hun huwelijksproblemen, de problemen op
hun werk, de problemen met hun gezondheid, met hun kinderen en met hun schoonmoeder.
Elk probleem, beweerde de man, had zijn oorsprong in een droom. Hij raadde hen
aan op te houden met oplossingen te zoeken voor die problemen. Op te houden met
in de wereld van de droom te leven. De enige duurzame oplossing, zei hij, was
om uit de droom te ontwaken en te zien dat die niets met de realiteit te maken
heeft. Dan zie je vanzelf dat er geen enkele reden is voor strijd of spanning.
Dat liefde de werkelijkheid is en niet strijd. Dat alle ellende van de hele wereld
het gevolg is van een droom. Hij zei dat ze alleen maar hun ogen hoefden te openen
en te zien wat werkelijk is. Dit
klonk zeer ongeloofwaardig en in strijd met de realiteit. Toch werden een paar
mensen geraakt door wat hij zei. Ze hoopten vurig op een uitweg uit de ellende,
en iets in hun hart zei dat er waarheid in zijn woorden stak. Ze luisterden intensief,
kwamen steeds weer terug en voelden zich rustig en kalm in zijn nabijheid. Maar
thuis bleek er niets veranderd. Hoezeer ze ook tegen zichzelf en tegen elkaar
zeiden ‘het is allemaal een droom’, de werkelijkheid bleef even verschrikkelijk.
In de loop der
tijd ontstond er een groep mensen om de vreemdeling heen. Ze vormden een aparte
gemeenschap. Ze bemoeiden zich niet meer met staatszaken en verlieten hun families.
Ze zongen liederen, deelden hun bezittingen en merkten hoe waar de woorden van
de man waren. In hun eigen gemeenschap was er liefde, geen strijd. Merkwaardig
genoeg bleef de man hen zeggen dat ze in een droom leefden. Dit klonk wel zeer
ongeloofwaardig en in strijd met de realiteit! Zij leefden toch niet meer in de
droom? Zij hadden afscheid van de droom genomen en de gewoontes van thuis vaarwel
gezegd. Zij leefden op een heel andere manier, in liefde en gemeenschap. En een
aantal van de mensen die er vanaf het begin bij waren geweest, fluisterden dat
de leraar natuurlijk niet hen bedoelde. Hij begon oud te worden. Hij bleef een
beetje steken in zijn oude groef. Toen
de vreemdeling zag dat het voor de mensen niet mogelijk was om de waarheid in
zijn woorden te zien, vertrok hij en keerde terug naar zijn eigen land. Af en
toe bereikte hem nieuws. De Koning was vermoord en er was iemand naar voren geschoven
om de taak van de Koning over te nemen. De rust leek weergekeerd. De ‘het is allemaal
een droom’-beweging bestond nog steeds en had zelfs meer aanhangers gekregen.
Ze vormden een aparte gemeenschap binnen het land en hielden er hun eigen manier
van leven op na. Ze wilden niets te maken hebben met de wetten van de nieuwe Koning.
Die kwamen tenslotte allemaal uit de droom. De
man piekerde zich suf hoe hij de mensen zou kunnen helpen. Hij was van ze gaan
houden en het deed hem zeer ze zo gevangen te zien. Hij werd al oud en besprak
de kwestie met zijn dochter. Het was duidelijk dat mensen die door een droom worden
beïnvloed, niet meer het verschil tussen droom en werkelijkheid kunnen zien. Zelfs
al waren ze bereid te luisteren, en werd het door sommigen nog diep in het hart
gehoord en herkend, de vermenging van droom en werkelijkheid was zo sterk dat
de herkenning werd opgenomen in de droom. Ze
maakten een plan. Ze ontwierpen oefeningen die gelegenheid boden om te ontdekken
wat het verschil tussen droom en werkelijkheid is. Ze verzonnen opdrachten die
de aandacht van de droom afleidden en richtten op het nu. Ze bedachten vragen
die binnen de droom onoplosbaar waren. Ze fantaseerden verhalen die ze zouden
kunnen vertellen, om iets te laten zien van waar het om ging. Van alles dat mensen
zou kunnen helpen om te zien dat droom en werkelijkheid een andere wereld zijn.
Pas dan zou het zinvol zijn om te zeggen dat de problemen van de mensen door een
droom werden veroorzaakt, en dat zij de droom tot hun werkelijkheid maakten. Wie
weet zou er dan zelfs niets meer hoeven worden gezegd. Zien is het ware begrijpen.
Misschien zou het zo te voorkomen zijn dat het wakker worden een rol in de droom
ging spelen, als iets wat na te streven was, iets wat binnen die belevingswereld
tot een oplossing zou kunnen leiden. Zo zou misschien te voorkomen zijn dat mensen
gingen dromen dat ze wakker waren. De
dochter ging op weg. Na een lange en stoffige reis kwam ze in het land. Er stond
een bankje in het park. Ze ging zitten, ademde de lucht en keek op haar gemak
om zich heen. Al gauw kwam er iemand naast haar zitten en begon haar, de vreemdelinge,
de problemen van het land uit de doeken te doen. Hij vroeg haar raad. Ze beet
op haar tong om niet te zeggen dat de problemen door een droom werden veroorzaakt.
Ze keek de man aan en vroeg hem wat het was dat hij het allerliefste wilde. Hij
dacht diep na en zei dat wat hij het allerliefste wilde was: gewoon zorgeloos
hier op dit bankje zitten en genieten van de zon en de kleur van het gras. De
vrouw glimlachte en zei dat er volgens haar niets was wat dat in de weg stond.
De man keek haar bevreemd aan, zuchtte en zei dat dat misschien wel zo was, maar
dat het niet zo voelde. Hij kon hier toch moeilijk zorgeloos van dit moment genieten
terwijl de wereld in puin lag. Weer glimlachte de vrouw en ze vroeg of de man
haar dat puin kon laten zien. Het parkje lag er beeldschoon bij. Even was de man
stil. Toen begon hij opnieuw de problemen van het land uit de doeken te doen.
Hij voegde er nog de problemen in zijn huwelijk bij en daarbovenop de problemen
van de wereld. Toen hij eindelijk was uitgepraat, zakte de zon net achter de bomen.
Had hij de hele middag zijn hart uitgestort bij een wildvreemde dame? Hij excuseerde
zich en ging er snel vandoor. De
volgende week hing de stad vol met posters. Daarop was een glimlachende vrouw
te zien met de tekst: DE DOCHTER VAN DE MAN DIE ZEI DAT HET ALLEMAAL DOOR EEN
DROOM KWAM. VRIJDAGMIDDAG OM 2 UUR BIJ HET BANKJE IN HET PARK. Al gauw gonsde
het in de stad van de geruchten. Sommigen herinnerden zich de man en zijn merkwaardige
uitspraken gecombineerd met zijn prettige uitstraling. De meesten kenden hem alleen
uit verhalen en als oprichter van de ‘het is allemaal een droom’-beweging waarvan
de mensen elkaar voortdurend in de haren vlogen en die op dit moment zoveel problemen
veroorzaakte. De
dag daarna verschenen er nieuwe posters in de stad: BOYCOT! LUISTER NIET NAAR
DEZE CHARLATANNE! HOUD HET ZUIVER! HET IS MAAR EEN DROOM. Al met al zorgde het
voor heel wat commotie en vrijdagmiddag om 2 uur stroomde het park vol. Er was
een klein podium getimmerd. Om
vijf over twee liep de vrouw het podium op. Ze keek de mensen aan en knikte hen
vriendelijk toe. Ze bedankte hen voor hun komst en deed de groeten van haar vader.
Ze zei dat het hem speet dat hij niet zelf had kunnen komen. Zijn leeftijd stond
hem niet meer toe om te reizen. Hij was in gedachten altijd bij hen gebleven en
stuurde zijn dochter om hen iets belangrijks te vertellen. Een gemompel ging door
de menigte. Dit hadden ze niet verwacht. Een boodschap van de man zelf! Hij stuurde
zijn dochter uit liefde voor hen! Ze herkenden in haar dezelfde uitstraling. Een
grote rust en sympathie onder een warme oprechte glimlach. Ze
ging verder met het voorlezen van een brief. Daarin vertelde de man dat hij samen
met zijn dochter oefeningen had ontworpen. Deze oefeningen hadden de kracht om
de ruimte en rust, die ieders geboorterecht was, aan je te openbaren. Ze konden
er zelfs voor zorgen dat dromen geen vat meer op je hadden. Ze maakten een gelukkig
mens van je, waardoor de ellende vanzelf uit de wereld zou vloeien. Dit
sprak veel mensen aan. Ze konden iets doen. Iets praktisch. Oefeningen! De brief
eindigde met een waarschuwing: ‘Bij het doen van de oefeningen zal je meteen merken
dat ze werken. Maar zodra je er mee ophoudt, houdt hun werking ook op en zal de
ellende van je oude toestand harder op je neervallen, omdat je het nieuwe hebt
leren kennen. Er is dus geen einde aan je oefening! Pas als jij er niet meer bent,
wordt het allemaal duidelijk.’ Dit ietwat cryptische eind gaf een ongemakkelijk
gevoel en dempte de feestvreugde. Er steeg een aarzelend applaus op en de mensen
slenterden in groepjes naar huis, al snel weer verwikkeld in hun dagelijkse besognes. De
volgende ochtend stond er een klein groepje mensen op de stoep van het gymnastiekzaaltje
waar de oefeningen zouden worden geven. Onder hen de man die in het park zijn
hart had uitgestort. Hij was nieuwsgierig geworden. Er was zelfs iemand bij uit
de ‘het is maar een droom’ beweging, die met een rood hoofd vroeg of het okay
was als zij kwam zonder haar naam te noemen. De dochter heette allen welkom en
ze gingen aan de slag. Er werd serieus en aandachtig geoefend. Soms begrepen ze
er geen snars van, maar ze voelden zich wel goed, zoals hun was voorspeld. In
de loop der tijd kwamen er mensen bij en gingen er mensen weg. En af en toe riep
er plotseling iemand ‘Ik ben God!’ of barstte lachend in huilen uit en fluisterde
verheugd ‘Ik besta niet!’ of ‘Alles is één!’ Heel soms zelfs riep iemand onthutst
‘Het is allemaal een droom!’ Maar niets van dit alles verstoorde de heerlijke
rust die er in de ruimte hing. En ieder die wakker werd besefte dat het niet de
oefeningen waren die de uiteindelijke transformatie teweeg hadden gebracht, maar
het ontwaken uit de droom. Sommigen begonnen dat te verkondigen, anderen gaven
eenvoudigweg de oefeningen door en verstonden de kunst er zelf wat bij te verzinnen
en ze aan te passen bij de gewoonten van de tijd. De
dochter schreef een lange brief aan haar vader waarin ze verslag deed van haar
belevenissen. Ze schreef dat het niet tot iets groots was uitgegroeid, en dat
het land nog steeds in de droom gevangen zat, maar dat het wel bij een enkeling
tot een waarlijk ontwaken had geleid. De brief kwam na een maand of twee bij haar
terug, samen met de as van haar vader. Het was goed zo.
|